Tot mijn eigen verrassing stelde ik onlangs vast dat ik in 2012 voor het achttiende opeenvolgende jaar als pendelaar van een treinabonnement ben voorzien. Dat betekent dat we al een volwassen leven lang sponsor zijn – en de respectieve werkgevers nog meer – van onze dierbare Belgische Spoorwegen. Een kaartje met dank of gelukwensen voor deze 18 jaar trouw hebben we hiervoor niet gekregen, laat staan een bloemetje of een chocolaatje, maar dat hadden we ook niet verwacht. Alhoewel, na achttien jaar hebben we al van alles meegemaakt op de trein, vooral onverwachte dingen. Vorige week nog was er een onderbreking van het treinverkeer wegens een aanrijding met een lama. Een mens denkt dan: ben ik in Peru of Bolivia? Maar nee hoor, het was nabij Sint-Niklaas. Daar zou je eerder een ezel of een schimmel moeten treffen, maar het was – echt waar gebeurd - de lama van Sint-Niklaas.
Na achttien jaar relativeert een mens al heel wat meer dan in het begin. Een minuut of vijf, tien vertraging weegt niet op tegen het dagelijkse fileleed. In die tijdsspanne heb ik ruwweg 50.000 liter brandstof niet zelf verreden, de bijhorende CO2 niet uitgestoten, kon ik twee uur extra per dag lezen of werken, socialiseren, dromen, een dutje doen of in het landschap de biomassa bewonderen, of windturbines of zonnepanelen tellen. Ik moet de spoorwegen dus zelf dankbaar zijn voor al die vermeden stress en al die gratis mooie dingen.
Een zeldzame keer heb ik een trein gemist. Een wekker die niet werkte, een onverwacht probleem. Zoiets kan je de spoorwegen niet verwijten, dat ligt enkel aan jezelf. Onze regering staat ook op het punt om de trein van hernieuwbare energie te missen. Dat is niet de eerste keer: jaren geleden misten ze de trein door de opkomende windturbinefabrikanten niet te ondersteunen. Onze rol blijft daardoor beperkt als toeleverancier voor buitenlandse constructeurs. En voor de PV sector verzuimde men de industriële onderbouw in Vlaanderen meer competitief te maken of mee te verrekenen in de baten. Mede daardoor worden er meer Aziatische panelen gelegd, terwijl het van grondstof tot eindproduct helemaal in Vlaanderen kan gemaakt worden.
Nee, we betalen ons liever blauw aan petroleum, zodat elke week een nieuw record van de brandstofprijzen kan genoteerd worden en Koning Zwarteprut verder kan dicteren. De prijs voor verhandelbare CO2 rechten staat dan weer veel te laag genoteerd, zodat de uitstoot van fossiele brandstoffen onvoldoende wordt afgeremd. Vorig jaar is ons tekort op de handelsbalans verdubbeld door de stijging van de petroleumprijzen op de wereldmarkt. Er wordt aan alle kanten bespaard en beknibbeld, citroenen worden uitgeknepen en keien gestroopt. Instanties, ratingbureaus en markten leggen ons dat op. Maar bij welke recordprijs voor de zwarte prut gaat men halt houden? Waar wordt daar de lijn getrokken?
Mede dankzij de productie van hernieuwbare energie – met gratis brandstoffen, zonder broeikasgassen – daalt de elektriciteitsprijs nu reeds op de markten. De ondersteuning van en de transitie naar hernieuwbare energie zal geld kosten, dat willen we niet onder stoelen of banken steken. Maar de baten zijn nu reeds merkbaar en zullen in de toekomst alleen maar toenemen. Als de Vlaamse regering nog langer talmt met een beslissing over een gepast steunmechanisme – niet teveel en niet te weinig – voor groene stroom en groene warmte, dan dreigen we weer eens de trein te missen en twijfelend op het perron te blijven staan, sakkerend op de kostprijs van het treinkaartje. Niemand zal dan dankbaar kunnen zijn voor al die vermeden kosten en al die gratis mooie dingen… Ik kijk vanop de trein liever uit naar het einde van het rijk van Koning Zwarteprut.
Bart Bode
Toen ik vijftien jaar werd – en ik zal u niet verklappen dat dit al 36 jaar geleden is - dacht ik: joepie, volgend jaar mag ik met een bromfiets rijden. Toen ik vijftien jaar werd, begon ik al te denken aan een eerste verliefdheid. Voor de huidige vijftienjarigen is dat wellicht al de tweede of de zoveelste. Toen ik vijftien jaar werd, bevonden we ons in het derde jaar van de oliecrisis van de jaren ’70 en klaagden de mensen over de hoge brandstofprijzen. De werkloosheid nam toe en de bedrijven spraken van een verminderde concurrentiekracht en dreigende delokalisering.
Het moet eind februari, begin maart tien jaar geleden zijn dat ik in de wandelgangen van het VN Gebouw in New York toevallig een gesprek – of was het een interview – met de ambassadeur van Tuvalu mee kon beluisteren. We waren die dagen volop in de voorbereiding van de Wereldtop voor Duurzame Ontwikkeling, ook wel Rio +10 genoemd. Die ambassadeur vertelde dat Tuvalu – een eilandengroep in de Stille Oceaan – aan het onderlopen was. Het ergste was dat de vruchtbare akkers door het zeewater begonnen te verzilten, waardoor ze hun eigen voedsel niet meer konden verbouwen. Enkele jaren later werden inwoners van Tuvalu wereldnieuws, toen ze als klimaatvluchtelingen asiel vroegen in Nieuw-Zeeland en het niet kregen. Down Under hebben ze veel van het Westen geleerd. Ik vraag me af wat er van die ambassadeur is geworden. Zou die nog op één van die eilanden in lieslaarzen rondbaggeren of heeft hij een postje hogerop gevonden?
Ik herinner me vaagweg een weekend ergens in mei halverwege de jaren ’90, toen we ons met een handvol bevlogen mensen afzonderden om wat dieper in te gaan op het concept “duurzame ontwikkeling”. Dat was nog vóór het een modewoord was, dat te pas en ten onpas ergens bij geplakt werd. Dat was voordat het als een containerbegrip gehanteerd werd – een mooie term voor wat je niet nauwkeurig kunt omschrijven - en nog voor er gigantische containerschepen op riffen vastliepen. Het heeft nog even geduurd voor het beleid op Belgisch en wereldwijd niveau duurzame ontwikkeling in wetten en afspraken wist te gieten, een federale raad oprichtte en verdienstelijke pogingen ondernam om het concept breder bekend te maken.
Het is stilaan mode geworden om mensen om de oren te slaan met allerlei kostenplaatjes. Heeft u bij voorbeeld een idee hoeveel het houden van een grasparkiet kost? Ik kan u in dit specifiek geval helaas niet verder helpen, gezien ik hierin totaal onervaren ben. Ik kan u wel aanbevelen om kippen te houden, omdat deze hoenders heel goede verwerkers van etensresten zijn en u op regelmatige basis een return aanbieden, die zowel gekookt als gebakken best te appreciëren valt. Het is met andere woorden een project dat u geen windeieren zal brengen.
Tussen de vele crisisbeelden en rommelkredieten door is er een nieuw fenomeen opgedoken. De Indignados of Verontwaardigden ontstonden in Spanje als een beweging van jongeren die een fikse aversie vertonen tegen “Het Systeem” en zijn en passant ook in België opgedoken. Het is een vlag die vooralsnog diverse ladingen dekt en verschillende leuzen hanteert. Een van die slogans luidt: “wij gaan traag want wij gaan ver”.
Het parfum van mei ’68 – voor wie dit nog in de neus zou hebben – is bij deze jonge beweging nooit veraf. Voor vele commentatoren is dit meteen een houvast om de nieuwe stroming te betitelen. We kleven nu eenmaal graag etiketten van vertrouwde begrippen op onbekende fenomenen, al was het maar om de opkomende onzekerheid wat af te remmen. De schade die de Indignados aanrichtten in een gastvrije Brusselse hogeschool wekte op zich ook verontwaardiging op, wat aantoont dat deze jongeren intern nog veel werk aan de winkel hebben, willen ze hun prille geloofwaardigheid behouden.
Achteraf beschouwd… Achteraf beschouwd is het niet moeilijk om de analyse te maken, om duidelijk te maken wat er precies verkeerd liep en hoe het wel had kunnen gebeuren. Tien jaar na de aanslagen in New York op 11 september kan men heelder programma’s vullen met perfecte ontledingen. Dat is heel nuttig als men daar lessen voor de toekomst uit trekt en dit in nieuwe inzichten vertaalt. Maar wat gebeurd is kan er niet mee uitgewist worden.
Verweg de interessantste onderdelen in dergelijke analyses zijn de keerpunten: op welk moment is er geen terugkeer meer mogelijk, kan een beslissing niet meer ongedaan gemaakt worden? We hebben het daarbij niet over het noodlot, maar over besluiten die door mensen gemaakt worden. Denk maar aan de klimatologische chaos die we nu meemaken: naast de natuurlijke evoluties en trends is de impact van beslissingen - door het collectief dat mensdom heet -bepalend voor de nabije toekomst.
Is het u al opgevallen dat in de private levenssfeer heel veel termen uit de hernieuwbare energiesector worden gebruikt? Wanneer we het over de menselijke aspecten hebben, spreken we over iemand die het zonnetje in huis is of iemand die overal de wind mee heeft of net tegen de wind op moet tornen. Er zijn mensen die warmte uitstralen en andere met verfrissende ideeën of zelfs enkele met een koele persoonlijkheid. Er zijn figuren met heel veel energie en andere die een uitgebreid netwerk hebben. We kennen allemaal wel momenten dat we onder hoogspanning staan of dat er sowieso spanning in de lucht hangt en er zijn momenten dat we dringend onze batterijen moeten opladen. Er zijn ogenblikken dat we branden van verlangen naar iets en er zijn dagen waar we zoeken hoe we het vuur brandend kunnen houden.
Onlangs kwam het zalmprincipe nog eens ter sprake in een bekende TV quiz. Deze term komt uit de onderwijswereld en moet een opwaartse beweging omschrijven, die de neerwaartse cascade vervangt, waarbij leerlingen die het niveau niet aankunnen een lagere richting kiezen. Volgens het zalmprincipe word je na een opwaartse sprong enig verlet in rustiger water aangeboden, om krachten op te doen voor een volgende sprong.
Inzake duurzame energie hopen we dat het zalmprincipe ook op onze sector wordt toegepast: we willen dat er een beleidskader wordt gecreëerd dat ons toelaat om sprongen voorwaarts te maken en ons af en toe even op adem laat komen om bij te sterken. Dat we tegen de gangbare stroom in moeten zwemmen, deert de meesten onder ons niet. In die zin zijn we meer zalm dan zen.
Dit jaar viert ODE haar vijftienjarig bestaan. In de wereld van de fauna is vijftien jaar voor sommige wezens een eeuwigheid. Bij de mensen is dit de overgangsperiode naar volwassenheid: soms grillig, onvoorspelbaar, bijzonder leuk of vervelend onrustig. In de wereld van organisaties wordt de leeftijd mee bepaald door de omstandigheden. Sommige hebben na vijftien jaar hun doelstellingen vlot gehaald en zoeken nieuwe richtingen of hebben het lef om zichzelf overbodig te maken. Voor andere organisaties begint het dan nog maar net. ODE behoort ongetwijfeld tot die laatste: we halen met hernieuwbare energie nu zowat 4 à 6%, we willen in 2020 naar minstens 13%, maar we moeten onze horizon dringend verleggen naar 2030 en verderop. De transitie naar 100% hernieuwbare energie in 2050 is mogelijk, maar de keuzes dienen nu reeds gemaakt te worden.








